Uit onderzoek blijkt dat heel veel Nederlandse bedrijven en (overheids)instellingen afhankelijk zijn van Amerikaanse techreuzen. In de wandelgangen van politiek Den Haag en de Nederlandse tech-sector klinkt een steeds luidere roep om digitale soevereiniteit. Dat komt simpelweg door het besef dat het anders moet en vooral: anders kan.
Eerder deze week schreven we nog over een uitgebreid onderzoek van de NOS. Daaruit blijkt dat van 16.500 onderzochte domeinnamen van overheden, zorginstellingen en scholen maar liefst 67 procent gekoppeld aan minimaal een Amerikaanse clouddienst. In een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen, wordt dat niet langer gezien als een gemak, maar als een strategisch risico.
Het “digitale winter”-scenario
De urgentie om minder afhankelijk te worden van buitenlandse partijen, werd deze week pijnlijk duidelijk tijdens een gesprek tussen cloudaanbieders en de Tweede Kamer. Herman Veenstra van The Sharing Group waarschuwde voor een “digitale winter”. Dat is het scenario waarin een conflict tussen Europa en de Verenigde Staten ertoe kan leiden dat de Amerikaanse regering met een simpele druk op de digitale knop het Nederlandse digitale leven platlegt.
Naast de politieke onvoorspelbaarheid blijft de juridische realiteit een doorn in het oog van privacyexperts. Onder de Amerikaanse Cloud Act zijn bedrijven uit de VS verplicht om data te overhandigen aan diensten als de FBI als daarom gevraagd wordt, ongeacht waar de servers fysiek gestald staan. De recente zorgen over de verkoop van Solvinity (de partij achter DigiD) aan een Amerikaanse investeerder onderstrepen dat zelfs de meest vitale systemen onder vuur liggen.
“80 procent is nu al vervangbaar”
Het weerwoord dat er “geen alternatief” zou zijn voor de grote Amerikaanse suites, wordt door Nederlandse ondernemers resoluut naar de prullenbak verwezen. Wido Potters van clouddienst BIT stelde in de Kamer dat Nederlandse partijen op dit moment al 80 procent kunnen leveren van wat de Amerikanen bieden op het gebied van opslag, software en e-mail. “Begin vandaag met het in kaart brengen van de afhankelijkheid en zorg dat je morgen diensten gaat verhuizen vanuit de VS naar Europa,” aldus Potters.
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) voert de politieke druk op. Ze pleit ervoor dat ministeries, zoals Algemene Zaken of zelfs de Tweede Kamer zelf, het voortouw nemen door direct over te stappen op Nederlandse e-mail- en clouddiensten. “Maar we kunnen het ook met de Tweede Kamer doen, want ook wij hangen aan een Amerikaans infuus. Misschien dien ik daar wel snel een motie voor in”, aldus het Kamerlid. De wapens worden dus alvast getrokken, maar het kan zomaar nog jaren duren, voordat er daadwerkelijk een besluit wordt genomen.
Optimistisch, maar ook kanttekeningen
Hoewel het optimisme groot is en de wil er ook zeker is bij sommige Kamerleden, zijn er kanttekeningen te plaatsen. Zo wordt er op verschillende grote uitdagen gewezen door Simon Besteman van de Dutch Cloud Community. DCC is de branchevereniging voor de Nederlandse cloud- en internetsector.
De huidige regels bevoordelen vaak de (tech)giganten. Dat moet dus helemaal op de schop om lokale spelers een eerlijke kans te geven. Daarnaast moeten gebruikers bereid zijn iets aan comfort in te leveren. Waar grote spelers, zoals Microsoft, een totaalpakket bieden van diensten, is het Nederlandse landschap nog een stuk gefragmenteerder.
Politieke wind mee
Ondanks de uitdagingen lijkt er een breed politiek draagvlak te ontstaan. Van D66 en VVD tot CDA en SP, de neuzen staan dezelfde kant op. In het nieuwe coalitieakkoord, dat aanstaande vrijdag wordt gepresenteerd, zouden ambitieuze plannen staan om kritieke infrastructuren als eerste weg te halen bij de Amerikaanse cloud. Dan moet er gedacht worden aan (elektronische) patiëntendossiers of bijvoorbeeld inlichtingendiensten.
De boodschap aan de ICT-sector is helder. De Nederlandse cloud is niet langer een utopie, maar een noodzaak die binnen handbereik ligt. De vraag is dus niet langer of er overgestapt moet worden, maar hoe snel men de stekker uit de overzeese afhankelijkheid durft te trekken.