Een ruime meerderheid van de Nederlanders vindt dat kinderen op school moeten leren hoe kunstmatige intelligentie werkt en hoe zij AI verantwoord kunnen gebruiken. Volgens onderzoek van Conclusion onder 1.000 Nederlanders steunt 67 procent de invoering van AI-onderwijs. Tegelijkertijd bestaat er verdeeldheid over het moment waarop daarmee moet worden begonnen en over de rol die AI überhaupt in het onderwijs zou moeten krijgen.
Van de ondervraagden vindt 28 procent dat AI al op de basisschool aan bod moet komen. Een grotere groep, 39 procent, kiest liever voor de middelbare school als startpunt. Daar tegenover staat dat 22 procent juist vindt dat het onderwijs zich moet richten op leren zonder AI. Nog eens 4 procent ziet helemaal geen noodzaak voor AI-onderwijs en 7 procent heeft hierover geen uitgesproken mening. De uitkomsten laten zien dat AI-geletterdheid steeds nadrukkelijker wordt gezien als onderdeel van onderwijsbeleid, maar dat consensus over de invulling nog ontbreekt.
Overheid krijgt belangrijkste rol
Opvallend is dat veel Nederlanders de verantwoordelijkheid voor voldoende AI-kennis vooral bij de overheid leggen. Volgens 46 procent moet de overheid via onderwijs en voorlichting zorgen dat burgers voldoende kennis opdoen over kunstmatige intelligentie.
Daarna volgt individuele verantwoordelijkheid: 29 procent vindt dat mensen vooral zelf moeten zorgen dat zij AI begrijpen. Werkgevers worden door 9 procent genoemd, techbedrijven door slechts 8 procent.
Dat lage percentage voor werkgevers staat in schril contrast met de huidige praktijk op de werkvloer, waar professionals AI-vaardigheden nu vooral opdoen via interne trainingen, workshops en zakelijke cursussen. Vroegtijdige educatie in het onderwijssysteem kan op termijn voorkomen dat het bedrijfsleven die kenniskloof telkens achteraf moet dichten.
AI-les
Dat techbedrijven eveneens nauwelijks worden aangewezen, is opmerkelijk gezien zij de systemen ontwikkelen die inmiddels overal worden ingezet. Volgens Conclusion-CTO Bastiaan Sjardin moet de overheid bewaken dat onderwijsinstellingen zelf de doelstellingen en kwaliteitsnormen rond AI bepalen, in plaats van die verantwoordelijkheid aan commerciële aanbieders over te laten.
Daarbij spelen ook privacy, dataveiligheid en onafhankelijk toezicht een rol. Bij AI-toepassingen die bijvoorbeeld cijfers, beoordelingen of schooladviezen beïnvloeden, zou volgens Sjardin externe controle nodig zijn om betrouwbaarheid, discriminatie en eenzijdigheid te beoordelen.
AI nog geen vanzelfsprekende basisvaardigheid
Over de vraag hoe fundamenteel AI-kennis in de toekomst wordt, zijn Nederlanders minder eensgezind. 39 procent denkt dat kennis van AI over vijf jaar even belangrijk zal zijn als lezen en schrijven. Een kwart is het daarmee oneens, terwijl 36 procent een neutrale positie inneemt.
AI lijkt daarmee wel richting een basisvaardigheid te bewegen, maar die status is nog zeker niet breed geaccepteerd.
Volgens Conclusion moet AI-onderwijs bovendien verder gaan dan leren hoe goede prompts worden geschreven. Leerlingen zouden ook moeten begrijpen hoe AI-systemen werken, welke beperkingen ze hebben en hoe antwoorden gecontroleerd kunnen worden.
Bronkritiek en scholing
Bronkritiek blijft daarbij essentieel. Leerlingen moeten leren wanneer AI bruikbaar is, maar ook wanneer zelfstandig nadenken, oefenen en informatie verzamelen zonder AI belangrijker is. Niet alleen leerlingen hebben volgens het onderzoek extra kennis nodig. Ook docenten zullen AI-geletterd moeten worden wanneer zij kunstmatige intelligentie gebruiken voor lesmateriaal, feedback of het nakijken van werk.
Daarbij blijft de docent uiteindelijk verantwoordelijk voor de beoordeling en voor controle van AI-uitvoer. Dat vraagt om scholing en duidelijke richtlijnen vanuit onderwijsinstellingen.
De discussie verschuift daarmee van de vraag óf AI een plaats krijgt in het onderwijs naar de vraag hóé die plaats verantwoord wordt ingericht. De meerderheid van de Nederlanders lijkt daarbij een actieve rol voor de overheid te verwachten.
Voor het bedrijfsleven kan die vroege start op school het verschil gaan maken. Wie al in de schoolbanken leert omgaan met de mogelijkheden en beperkingen van AI, stapt straks met een aanzienlijke voorsprong de arbeidsmarkt op. Dat scheelt organisaties op termijn intensieve bijspijkertrajecten en levert een generatie op die technologie direct verantwoord, kritisch en productief kan inzetten.