Datacenters kunnen het overbelaste stroomnet helpen

Brancheverenigingen draaien het energienarratief om

Datacenters kunnen het overbelaste stroomnet helpen

Nederland heeft niet te weinig stroom, het heeft te weinig stroomnet. Europese datacenterkoepels stellen dat datacenters het overbelaste net juist kunnen ontlasten, door ze te bouwen waar de energie wordt opgewekt. Dat betoogden ze tijdens een paneldiscussie op de European Data Center Associations Summit op Vertiv Week 2026 in Zagreb.

Bijna 12.000 bedrijven staan op de wachtlijst voor een netaansluiting en vrijwel het hele land kampt met netcongestie. Wind- en zonneparken wekken energie op in gebieden waar niemand die stroom afneemt, terwijl de steden en bedrijventerreinen die het nodig hebben, vastzitten aan een net dat de extra capaciteit niet aankan. Het probleem is niet de hoeveelheid stroom, maar de infrastructuur om die van A naar B te krijgen.

Vijf vertegenwoordigers van Europese datacenterverenigingen, uit Nederland, Ierland, Zweden, Frankrijk en Italië, schetsten tijdens de paneldiscussie op Vertiv Week 2026 hoe de sector dat probleem deels kan oplossen. Niet door minder stroom te verbruiken, maar door die te verbruiken op de plek waar hij wordt opgewekt.

Windparken zonder afnemers

Stijn Grove, directeur van de Dutch Data Center Association, legde het mechanisme uit. Windparken op de Noordzee kunnen op dit moment niet verder uitbreiden, omdat er simpelweg te weinig afnemers zijn voor de stroom die ze opwekken. Die opgewekte stroom komt via kabels aan land langs de kust, maar daar zit vrijwel niemand die hem nodig heeft. “Dus moet het hele netwerk worden verbouwd om die stroom naar een totaal andere locatie te transporteren.”

Volgens Grove vragen netbeheerders de datacentersector inmiddels actief om zich op die kustlocaties te vestigen. De logica is eenvoudig: een datacenter dat naast een aanlandpunt gaat staan, neemt de stroom ter plekke af. De netbeheerder hoeft die capaciteit dan niet meer dwars door het land te transporteren, wat miljarden aan netuitbreiding bespaart en tegelijk bestaande capaciteit op het net vrijspeelt voor andere gebruikers.

Ronan Kelly, CEO van Digital Infrastructure Ireland, herkende het patroon. Ierland heeft een van de hoogste datacenterdichtheden per hoofd van de bevolking ter wereld, maar de aanlandstations voor offshore wind zitten niet waar die datacenters staan. Het Ierse LEAP-voorstel probeert die mismatch te corrigeren door nieuwe datacenters te koppelen aan locaties met hernieuwbare opwekking.

Battery energy storage overbrugt de momenten waarop de wind wegvalt of de zon onder is. Datacenters met eigen batterijopslag kunnen bij pieken stroom uit hun reserves halen in plaats van uit het net, en bij overschotten stroom opslaan. “Er is een toekomstige rol voor datacenters in het stabiliseren van het net”, zei Kelly, “zodat wanneer het net onder druk staat, de aangesloten datacenters kunnen helpen om een deel van het energietekort op te vangen.”

Warmte als wisselgeld

Datacenters kunnen het net ontlasten door stroom lokaal af te nemen. Maar ze hebben nog een troef in het energieverhaal, namelijk de restwarmte die ze kunnen terugleveren. In Rotterdam levert Smartdc restwarmte van zijn servers aan de Van Nellefabriek, een UNESCO-monument dat kantoorruimte biedt aan meer dan honderd bedrijven. Het complex verbruikte zo’n 800.000 kubieke meter gas per jaar. Door de traditionele koelunits van het datacenter te vervangen door warmtepompen die de serverwarmte naar de kantoren transporteren, daalde dat gasverbruik met 80 procent.

In De Kwakel, midden in het glastuinbouwgebied van Greenport Aalsmeer, tekenden Switch Datacenters en tientallen tuinders een overeenkomst voor een vergelijkbaar systeem. Het datacenter levert warmte via een warmtenet aan de kassen. De kassen sturen koud retourwater terug, dat het datacenter gebruikt als koeling. Netbeheerder Liander berekende dat zonder dit systeem elke tuinder een eigen warmtepomp zou moeten installeren om van het gas af te komen, wat het toch al overbelaste elektriciteitsnet in de regio nog verder zou belasten.

Isabelle Kemlin, vicevoorzitter van de Swedish Data Center Industry Association, noemde vergelijkbare projecten in Zweden: levering aan stadsverwarmingsnetwerken, het drogen van hout voor lokale verwarmingsbedrijven, en een datacenter in Boden dat een kas verwarmt waar de gemeente werkplekken creëert voor mensen die niet goed functioneren in drukke omgevingen.” Maar dat lukt alleen als gemeenten vanaf het begin met de exploitant om tafel zitten”, zei Kemlin. “Niet pas als het datacenter er al staat.”

De Europese Commissie becijferde dat hergebruik van de helft van alle datacenter-restwarmte in Europa genoeg zou zijn om vier miljoen huishoudens te verwarmen. De voorbeelden uit Nederland en Zweden laten zien dat de techniek er klaar voor is. Voorwaarde is dat gemeenten en exploitanten elkaar vroeg genoeg weten te vinden.

Nuance in de meting

Die Commissie presenteerde op 21 september, een dag voor het panel in Zagreb, een labelingsschema voor datacenters. Vergelijkbaar met het energielabel op een wasmachine moeten datacenters met een capaciteit boven 500 kilowatt straks transparant zijn over hun energie- en waterverbruik. De eerste labels worden in 2027 verwacht. Het gemiddelde Nederlandse datacenter zou volgens het bijbehorende Commissie-rapport een D-classificatie krijgen voor energieverbruik en een E voor water. Dat klinkt alarmerend, maar de scores vragen om context. Een datacenter in een regio met waterschaarste koelt volledig op elektriciteit en scoort daardoor slecht op energieverbruik, terwijl het juist de verantwoorde keuze maakt. Een datacenter in Zweden dat kan profiteren van koude buitenlucht heeft daardoor inherent een voorsprong op een datacenter in Portugal, zonder dat het beter ontworpen hoeft te zijn.

Grove verwelkomde het EC-initiatief, maar plaatste ook direct een kanttekening. “Het idee om datacenters te monitoren en te laten zien hoe goed je infrastructuur is, dat is niet verkeerd”, zei hij. “Maar kun je dat met alle nuances vangen in een sticker met wat kleuren en cijfers? Daar ben ik niet zo zeker van.” Michaël Reffay, directeur van France Datacenter, was stelliger in zijn steun. “Het vergroot de transparantie, en transparantie betekent acceptatie.” Maar ook hij waarschuwde dat het labelschema geen concurrentienadeel mag opleveren ten opzichte van de VS en China, waar datacenters geen vergelijkbare rapportageverplichtingen kennen. Extra regeldruk kan investeringen naar buiten Europa duwen, juist op het moment dat het continent probeert een eigen positie in AI op te bouwen.

Kleine lettertjes

En Grove wees op een paradox die het hele nuancevraagstuk illustreert. Als een datacenter een warmtepomp installeert om restwarmte te leveren aan de omgeving, verslechtert de PUE, de gangbare maatstaf voor energie-efficiëntie, omdat de warmtepomp extra elektriciteit verbruikt. “De PUE wordt slechter, maar je levert eigenlijk warmte aan een ander”, zei hij. Het label houdt daar wel degelijk rekening mee: naast de letterscore vermeldt het ook de bijdrage van een datacenter aan het net, waaronder het beschikbaar stellen van restwarmte en het toevoegen van schone opwekcapaciteit. Maar bij een D-score is het die letter die in de berichtgeving blijft hangen, niet de kleine lettertjes eronder.

Maar zelfs de data waarop die labels straks worden gebaseerd, is nog verre van betrouwbaar. Onderzoekers van de Universiteit van Stuttgart concludeerden in juli dat slechts 38 procent van de Europese datacenters die verplicht zijn om te rapporteren, dat ook daadwerkelijk doet. In sommige gevallen waren de geleverde cijfers aantoonbaar onjuist: Deense datacenters die op 140 procent van hun capaciteit zouden draaien, wat fysiek onmogelijk is. De onderzoekers waarschuwen dan ook om de data “met extreme waakzaamheid” te gebruiken.

Partner of concurrent

Het panel sloot af met urgentie. Kelly noemde de huidige investeringsgolf de grootste die de wereld ooit heeft gezien. “We hebben de kans om de veiligste en groenste AI-infrastructuur ter wereld te bouwen”, zei hij. “Maar we moeten er snel bij zijn, want de industrie wacht niet op ons.”

Dat die kans er ligt, betekent niet dat de weg vrij is. In de wandelgangen gaf Kelly toe dat de samenwerking met netbeheerders weerbarstig is. In Ierland, waar de netbeheerder een voormalig staatsbedrijf is, heerst volgens hem een zekere traagheid. Ze werken in eigen tempo en laten zich niet graag opjagen. En als de datacentersector aanklopt met oplossingen, is de reactie gereserveerd. En zolang het grote publiek datacenters vooral associeert met energieverbruik en overlast, ontbreekt ook het politieke draagvlak om ze een plek te geven in de energietransitie.

Die publieke onrust rond datacenters wordt aangewakkerd door de explosieve groei van AI-toepassingen en het energieverbruik dat daarbij hoort. “Op dit moment levert AI vooral angst op”, zei Reffay. De perceptieomslag komt volgens hem pas als de technologie tastbare voordelen levert voor grote groepen mensen.

Kemlin ging nog een stap verder dan het ontlasten van het net. De anderen positioneerden datacenters als hulpmiddel voor het bestaande energieprobleem. Zij draaide het om. De elektriciteitsinfrastructuur bestaat al, zei ze, maar Europa bouwt nu aan een tweede infrastructuur: de data-infrastructuur. “Dat is niet zomaar weer een grote stroomverbruiker. Het is de nieuwe infrastructuur.” Maar wie die infrastructuur behandelt als energieslurper in plaats van als bouwsteen, laat de 12.000 bedrijven op de wachtlijst voor een energienetaansluiting nog wat langer wachten.