SURF bouwt soevereiniteit stap voor stap

Wachten op perfectie is geen strategie

SURF bouwt soevereiniteit stap voor stap

SURF pakt digitale soevereiniteit aan als operationeel programma, niet als principediscussie. Met pilots voor samenwerkingssoftware, video en AI bouwt de onderwijscoöperatie alternatieven naast het bestaande aanbod van Big Tech.

Wladimir Mufty is programmamanager Publieke Waarde en Gemeenschappelijke Digitale Soevereiniteit bij SURF, de ict-coöperatie van het Nederlandse onderwijs en onderzoek. De 120 leden zijn eigenaar van SURF en bundelen hun krachten om digitale diensten te ontwikkelen of in te kopen en samen te innoveren. Met een klein team werkt hij al vijf jaar aan de vraag hoe je abstracte waarden als privacy, autonomie en transparantie concreet maakt in je digitalisering. “Soevereiniteit is niet binair”, zegt Mufty. “Het is geen schakelaar die je aan- of uitzet. Maar hoe meer zeggenschap je hebt, hoe meer van die waarden je kunt meenemen in je keuzes.”

Die benadering klinkt bescheiden, maar het onderscheid met veel soevereiniteitsretoriek zit precies daar. “We schrijven niet alleen een position paper over hoe je onafhankelijk kan worden van een leverancier, maar we proberen ook de daad bij het woord te voegen.” De organisatie draait pilots, zet alternatieven naast bestaande diensten, en schaalt op zodra iets werkt. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk kiezen veel organisaties ervoor om te wachten tot alternatieven bewezen zijn.

Vraag uit het veld

De Nextcloud-pilot, inmiddels het zichtbaarste voorbeeld bij de coöperatie, begon niet bij SURF zelf. Vier jaar geleden klopte AlgoSoc aan, een onderzoeksprogramma van vijf universiteiten dat de impact van algoritmen op de samenleving bestudeert. “Zij zeiden: wij onderzoeken hoe algoritmen de samenleving beïnvloeden, maar werken zelf op platformen waar we geen enkele controle over hebben”, vertelt Mufty. “Ze vroegen ons om een samenwerkingsomgeving op basis van echte open standaarden. Ons antwoord was: die hebben we niet. Maar we gaan het uitzoeken.”

SURF bekeek meerdere kandidaten en kwam uit bij Nextcloud. De pilot werd opgezet, AlgoSoc ging ermee werken, en het bleek te voldoen. “Het was anders dan wat mensen gewend waren, maar het was volwassen”, zegt Mufty. “Het voldeed aan wat zij nodig hadden, en wij leerden er ontzettend veel van.”

Wladimir Mufty-0911
Wladimir Mufty, programmamanager
Publieke Waarde en Gemeenschappelijke
Digitale Soevereiniteit bij SURF

Dat Nextcloud meer is dan een samenwerkingstool voor onderzoekers, werd gaandeweg duidelijk. SURF had al een bestaande dienst voor bestandsdeling, SURFdrive, een soort Dropbox voor de onderwijssector met tienduizenden gebruikers. Die dienst draaide aanvankelijk op OwnCloud-software, maar is inmiddels overgezet naar Nextcloud als basis. Daarnaast biedt SURF sinds dit jaar dertig instellingen een volledige Nextcloud-omgeving aan, inclusief videobellen, chat en agenda. Daar werken inmiddels vijftienhonderd tot tweeduizend eindgebruikers mee.

Nextcloud is overigens niet de enige pilot. SURF heeft ook een pilot met PeerTube als alternatief videoplatform, onder meer omdat educatieve video’s over onderwerpen als drugs of borstkankeronderzoek op YouTube tegen contentrichtlijnen aanlopen. En er loopt een Mastodon-pilot als socialmediakanaal.”

Een van de nieuwste initiatieven raakt direct aan de AI-afhankelijkheid die Mufty in de sector ziet groeien. SURF bouwt een AI-hub: een omgeving waarin open AI-modellen draaien op de eigen infrastructuur, met normering voor kwaliteit, privacy en jurisdictie die SURF centraal regelt. Het idee is dat individuele instellingen dan niet zelf langjarige contracten af hoeven sluiten met AI-leveranciers. “Wij zorgen dat die hub gevuld staat met kwalitatief goede modellen”, zegt Mufty. “Als een instelling niet tevreden is met Mistral, of als de ene vraag naar Mistral moet en de andere naar GPTNL, dan kan dat zonder dat je iets hoeft om te bouwen.” Dat model is volgens hem echt nieuw. “Het is een aanpassing aan het ecosysteem. En voor leveranciers kan het aantrekkelijk zijn: je hoeft maar één keer aan onze normering te voldoen, en dan heb je in potentie 120 instellingen die klant kunnen worden.”

Open source als middel

Wat al die pilots gemeen hebben, is dat ze draaien op open-sourcesoftware. Dat is geen toeval. “Van onze vijftig diensten zijn er 38 gebouwd op of met open source”, zegt Mufty. “Dat doen we al vanaf het begin. Open source is voor ons een middel, niet een doel. Transparantie, interoperabiliteit, op elkaars schouders staan, hergebruik: dat kun je bijna alleen maar bereiken met open source. Bij gesloten software betaal je de dubbele rekening voor elke verbetering die je aanbrengt.”

Dat bestuurders en directeuren in het onderwijs die redenering inmiddels volgen, is niet vanzelfsprekend. Mufty beschrijft een kentering. Jarenlang was de automatische associatie: open source is hobbymatig, onveilig en ongebruiksvriendelijk. “Ik snap waar dat vandaan kwam, en er zijn zeker open-sourceprojecten die niet goed genoeg zijn om op schaal in te zetten”, zegt hij. “Maar er zijn veel bekende open source producten, zoals Mozilla Firefox, die door miljarden mensen worden gebruikt.” Die nuchtere blik wint volgens hem terrein. Steeds meer bestuurders kijken niet meer naar wat open source is, maar naar wat het hun organisatie concreet kan opleveren.”

Om dat steeds meer door te laten dringen op bestuurlijk niveau, organiseert SURF samen met het ministerie van BZK een open source leiderschapstop. Niet bedoeld voor de evangelisten en de technici die al weten wat open source kan bieden, maar voor directeuren en bestuurders die moeten begrijpen wat open source is en waarom het krachtig kan zijn voor hun organisatie. Die eerste editie was een succes”, zegt Mufty. “Op 1 oktober volgt de tweede, waarbij we uitbreiden naar bestuurders van o.a. waterschappen en provincies.”

Het sterkste bewijs dat de open source aanpak werkt, leverde SURF zelf. SURFdrive draaide jarenlang op OwnCloud, een open-sourceproject dat werd overgenomen door durfkapitalisten. De supportcontracten veranderden, de toekomst werd onzeker. “Vonden wij het leuk? Nee. Maar hadden wij er stress van? Ook niet”, glimlacht Mufty. “Want de code stond op onze eigen machines, en we wisten dat er alternatieven waren.”

SURF verving het OwnCloud-fundament door Nextcloud en zette tienduizenden gebruikers in één weekend over. De voorbereiding kostte een half jaar, maar de migratie zelf ging vlekkeloos. “Dat kan alleen met open-sourcesoftware. Als het een gesloten systeem was geweest, hadden we nooit in een weekend van het ene product naar het andere kunnen gaan.”

Stilstand is achteruitgang

Die pilots zijn er, en ze werken. Maar een groot deel van de dagelijkse onderwijsinfrastructuur draait nog gewoon op Big Tech: de pasjes, het identiteitsbeheer, de security. En dat verander je niet in een weekend. Mufty noemt de situatie waarin de sector nu zit een tussenfase: alternatieven zijn er wel, maar ze zijn nog niet overal volwassen genoeg om volledig te vervangen wat de grote techbedrijven bieden. Tegelijkertijd groeit de afhankelijkheid zolang er niet bewust voor alternatieven wordt gekozen. “Elke keer dat een instelling een nieuwe dienst afneemt bij dezelfde leverancier, groeit de afhankelijkheid”, zegt hij. “Eerst de mail, dan de opslag, dan de samenwerkingstools, en nu komt AI erbij. En tegelijkertijd krimpen de IT-budgetten en staan studenten aan de deur die vragen waarom zij niet met de nieuwste AI-tools mogen werken.” Het grootste dilemma van dit moment is volgens hem helder: “Je kunt niet stoppen, maar doorgaan zoals nu is ook geen strategie.”

Die spanning is overigens niet uniek voor het onderwijs. De Belastingdienst pauzeerde onlangs de uitrol van Microsoft 365 en onderzoekt opnieuw of een werkomgeving op eigen infrastructuur haalbaar is. En vijf toezichthouders, ACM, AFM, Autoriteit Persoonsgegevens, DNB en RDI, publiceerden op 10 juli een gezamenlijk position paper waarin ze overheden en bedrijven oproepen de overgang naar digitale autonomie te versnellen.

Voor Mufty zit de kern van het probleem niet in het ontbreken van alternatieven, maar in de houding ertegenover. Organisaties wachten tot een alternatief net zo goed is als wat de grote techbedrijven bieden. Maar dat moment komt niet vanzelf. “Alternatieven worden alleen beter als organisaties ze daadwerkelijk inzetten, erin investeren en er ruimte voor maken”, zegt hij. Wachten tot het alternatief perfect is, is een garantie dat het nooit perfect wordt.

Die les geldt volgens Mufty niet alleen voor het onderwijs. “Ik hoop dat ook banken, mediabedrijven en andere organisaties inzien dat ze zelf een rol hebben in die verandering”, zegt hij. Een omroep die zegt: ik heb twintigduizend volgers op dit platform en drie op het alternatief, dus ik doe het niet, houdt precies de situatie in stand waar iedereen over klaagt. De vraag is niet of het alternatief vandaag al even groot is, maar of je bereid bent om eraan te bouwen.”

Investeren in imperfectie

Het antwoord dat SURF zelf geeft, is consequent praktisch: bied alternatieven aan, neem drempels weg, en zorg dat de eerste gebruikers niet alles zelf hoeven uitvinden. Het coöperatiemodel helpt daarbij. Zo gooit SURF de kosten op een hoop en verdeelt die vervolgens evenredig over de leden, van kleine MBO-instellingen tot grote universiteiten.

Maar dat coöperatiemodel bevat wel een paradox. Om collectief soeverein te worden, moet elke instelling individueel zeggenschap inleveren. “Soms denkt een instelling: ik had liever dit gehad, of net iets meer dat. Maar je kunt niet je eigen achtergrondkleurtje kiezen als je samen een platform bouwt.” Het is een spanning die hij met een glimlach erkent. “Wij werken elke dag aan meer autonomie voor de sector. Maar om die autonomie te bereiken, moet iedere instelling een stukje van haar eigen autonomie inleveren.”